Spring naar inhoud

Bodemdaling

De zoutcavernes en gasopslag zorgen voor een lichte bodemdaling. Dit komt door het gewicht van de aardlagen boven de cavernes en een hoge temperatuur op deze diepte. Hierdoor gedraagt het zout zich als een stroperige vloeistof. Dit effect heet ‘kruip’. De snelheid van de kruip hangt met name af van de druk van de aardlagen, de druk in de caverne, de diepte en de temperatuur. Het gevolg van kruip is dat de caverne langzaam steeds iets kleiner wordt. De opslag van gas onder druk zorgt voor een tegendruk en vermindering van het ‘kruipeffect’. Bewegingen zoals kruip en compactie (het samendrukken van aardlagen) kunnen aan de oppervlakte voor bodemdaling zorgen. Hoeveel de bodem daalt, hangt af van een aantal factoren: de mate van kruip, de diepte en het volume van de caverne en eventueel andere cavernes in de buurt. De verwachte bodemdaling als gevolg van de gasopslag bedraagt +/- één millimeter per jaar. We monitoren dit proces continu onder andere met behulp van satellieten, een gps-systeem en optische waterpasmetingen. Eind 2013 zijn vier cavernes uitgerust met een gps-systeem. Samen bestrijken deze het hele caverneveld. Elke maand ontvangen wij gegevens van dit systeem. Met het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) hebben we afgesproken dat we elke vijf jaar een optische waterpasmeting uitvoeren. Dat is een veelgebruikte methode, waarbij gebruik wordt gemaakt van waterpastoestellen op driepoten. Ten slotte monitoren we de bodemdaling ook met gegevens die we verkrijgen van InSAR (interferometric synthetic aperture radar) satellieten waarmee veranderingen in het aardoppervlak kunnen worden waargenomen. De drie verschillende methodes vergelijken we met elkaar om een juist beeld te krijgen van het effect van onze activiteiten. In de zomer van 2022 hebben we een informatiebijeenkomst gehouden over de oorzaken en gevolgen van bodemdaling. Deze presentatie vindt u onder Downloads.